Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

123

Nevel lachte onwillekeurig, als hij aan zijn plan van afstraffing dacht. Hij wilde namelijk zijn goochelkunst op haar toepassen.

Hij kon een gulden in een cent veranderen; hij kon een spijker doorslikken en dien uit zijn rug weer te voorschijn halen; hij kon... ja, ik weet zelf niet, wat die man allemaal wel kon. Maar 't was goochelen, dus een soort van bedrog, of zooals Nevel het noemde, het was een handgauwigheid.

Maandagmorgen van de volgende week stond Nevel met zijn wit jasje aan achter de toonbank, en keek door het raam. Daar kwam vrouw Schaap met een mand met eiéren aan haar arm aanstappen.

„Nou opgepast," mompelde hij, „de^bedriegster zal haar verdiende loon Rebben."

Hij greep gauw een paar kwartjes uit de geldlade en liet ze in den zak van zijn jasje glijden.

Toen trad vrouw Schaap den winkel binnen, waar ze haar mand op de toonbank zette.

„Goeien morgen, Nevel," zei ze.

„Goeien morgen, vrouw Schaap; je hebt een heele vracht," zei Nevel met een allerivriendelijkst glimlachje.

„Dat heb ik juist, maar jij zal me er, hoop ik, wel afhelpen."

Sluiten