Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN 'T STEIGERTJE

45

Hoe laat was 't al?.... Bij vieren! Zoo'n kwajongen toch!.... Er zal hem toch geen ongeluk overkomen zijn ? Die sterke vader voelde z'n knieën knikken

Pas op, daar kwam moeder aan!.... Nou zich goed houden. Neen, moeder mocht er niets van weten, dat hij zoo ongerust was .... Moeder had immers nog niet gemerkt, dat Hans zoo lang uitbleef.

't Werd al donkerder....

't Einde van de kreek, 't plekje waar vader telkens weer heen zocht met zijn onrustoogen als moeder 't niet merkte, en waar moeder óók onophoudelijk heengluurde als vader haar niet zag, — dat plekje werd grauw, 't werd zwart. Snel viel de avond, en de mist, die al dikker was geworden, wond zich om den ouden molen en om de menschen aan zijn voet als een dichte vacht.

Die grauwe, zwijgende mist, 't was, of hij tusschen die menschen en hun jongen een duistere scheiding bracht. Die mist, hij werd een angstig-zwijgende benauwenis.

Toen, ineens riep Bep's bang stemmetje door den halfdonker heen, alsof ze plotseling schrok van haar eigen gedachte: „Vader, Hans is nog niet thuis!"

Hanna stond in 't kamertje de koperen knopjes van de kachel te poetsen: morgen moesten ze glimmen nog mooier dan anders. Zij dacht niet aan Hans.

Klein Anneke zat op den drempel kou te lijden. Ze dacht ook niet aan Hans.

En Barend, die turven moest halen uit de schuur en telkens weer boven op den grooten hoop klom en zich dan over die neerrobbelende turven naar beneden liet kikkeren, Barend dacht heelemaal niet aan Hans.

En Bep? Bep liet een oud sigarenkistje zonder deksel

als een scheepje varen in de tocht, en belaadde het net zoolang met steenen, tot het plotseling met een wilde schommeling zonk. Toen wilde ze maar naar binnen gaan, en op eens was de vreemde schrik gekomen, en die

Sluiten