Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

zoo'n vreemde jongen

vreemde angstroep van haar: „Vader, Hans is nog .niet thuis!"

Vader rilde. Dat roepen sneed hem door de ziel. En moeder, die al weer naar binnen was geloopen, verstond de woorden niet, maar hoorde alleen dien éénen klank:

„Hans!" Ze stormde naar buiten, bleek van blijdschap.

„Is-t-ie daar? Is Hans er al?"

Hans was er niet. Mist was er; duistere, ondoordringbare mist, en benauwende stilte.

Toen barstte moeders angst los in een bangen kreet:

„Hans! Hans dan toch!..:. Ha-a-ns!" Ze snelde naar

't steigertje aan de kreek, alsof ze zoo dicht mogelijk bij haar jongen wilde komen en schreeuwde, gilde weer„Hans! Ha-a-ns!.... O, Hans!"....

Vader kwam haar achterna, Bep ook. Barend kwam uit de schuur stuiven en Hanna uit den molen. Klein Anneke bleef zitten, haar hoofdje slaperig tegen den deurpost.

„Hans! Kom dan, Hans!" schreeuwde Bep ook. En

Hanna en Barend begonnen ook hun moeder te helpen.

Toen kwam vaders stem, donker en zwaar: „Stil nou jullie allemaal "

Maar moeders hart was te zeer ontroerd. „O, 't is mijn

schuld, 't is mijn schuld. Nou is-t-ie weg! Nou is-t-ie

dood misschien M'n jongen! m'n lieve jongen!"

„Stil nou toch, mensch!" baste vaders stem. „Wat geeft dat gegil nou?...." Vader had dien middag al wel tienmaal gedacht: „Ja, 't is moeders schuld. Waarom stuurde ze den jongen ook den plas op voor zoo'n poppebed?" maar ook wel tienmaal had hij die gedachte verdreven: „Och wat, dwaasheid! Ik zelf, z'n vader, heb hem geleerd te zwalken op 't water. En moeder houdt toch evenveel, misschien nog wel meer van den jongen dan ik. Welnee! Moeder de schuld? Ik heb schuld."

„Stil nou! Wees toch zoo bang niet. De jongen is natuurlijk verdwaald en kan den ingang van de kreek niet vinden Weet je wat? Ik zal boven de groote lantaarn

Sluiten