Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

ALLEEN?

Neen, hij kón niet meer ....!

Hans' armen zakten neer op de riemen; zijn hoofd boog zich, en in diepe moedeloosheid liet hij zijn bootje maar

drijven in de huiverige duisternis Hij gaf 't öp, hij

kón niet meer....!

Uren al had hij rondgezwalkt in den killen mist; die grijze nevel was grauw geworden, en 't grauwe zwart, dik van donkerte. En nóg had hij de kreek niet gevonden,

waar het steigertje was, bij den molen, waar het warme

kamertje was, met vader en moeder en allemaal onder de lamp....

O, was hij maar weer thuis! Was hij van middag

maar niet naar dat verre bruggetje geroeid, waar de hulststruiken stonden met de roode bessen! Domkop, die hij was, hij had regelrecht op 't gat in den dijk moeten aansturen, zooals de dokter hem nog gezegd had. Dan — dan was hij nou al uren thuis, en dan had hij dat heerlijke verhaal van vanmiddag al lang, al wel tienmaal kunnen vertellen. ^*»?

Dat heerlijke, nee, 't was nu niets heerlijk meer.

Uren al zwalkte hij rond; zijn armen waren stram van moeheid, zijn beenen stijf van de kou; en zijn hoofd was zoo zwaar, 't deed pijn van het denken

Dat bruggetje was ook zoo vèr geweest, veel verder dan hij dacht; en toen hij 't eindelijk gevonden had, was 't al schemerig geworden op 't water, en het vale gras van

Sluiten