Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

zoo'n vreemde jongen

Hé, kijk'es! Wat is dat? Door het raampje van

den landauer heen zag Hans een rossig schijnsel hoog in den donkeren mist. Dat licht scheen van den molen te komen, alsof daar ergens een lampje brandde, dat zijn stralen naar buiten wierp. Hoe kon dat?

Toen, opeens, dacht hij aan het licht, dat hij hoog aan den molen had zien schijnen tegen den mist in, toen hij

landde bij 't steigertje Zou vader misschien een lantaarn

hebben uitgehangen om hém den weg te wijzen naar huis ? En zou dat licht nu vergeten zijn? 't Was wel aardig; de molen was nou net een vuurtoren en dan waren de plassen net de groote zee. En dan konden de schippers geen

schipbreuk lijden Ja, maar nou zwierven er geen

schippers op den plas. 't Was nou Kerstnacht

En 't lampje brandde daar boven heel eenzaam Als

de wijzen uit het Oosten nou van nacht kwamen om naar Bethlehem te gaan, dan zouden ze misschien wel denken, dat het licht hoog aan den molen de ster was

Hè, wat was dat nou opeens een dwaas verzinsel. Zijn hoofd deed ook zoo raar!

Maar morgen zou hij wel beter zijn, want dan gingen ze naar het feest, vèr over den plas met vader en moeder en de anderen, en het briefje van den. dokter.

Waar was dat briefje nou? Had hij 't nog in zijn zak?

Hij tastte al, en tastte O, dwaze jongen die hij was,

hij lag immers in zijn hansop in den landauer; hoe kon je dan briefjes bij je hebben?

Bijna Kerstmis, mórgen al. En dan

Als ze maar niet te laat kwamen op het feest. „Kom vader, zullen we samen roeien? U en ik? Dan gaat het veel harder en dan zijn we er gauw. 't Wordt al zoo

donker op den plas, vader! Weet u den weg goed in

den donker? Ik niet "

Hans trekt al aan de riemen, maar wat zijn die riemen

zacht Oo! Hij ligt te droomen; hij vaart niet op den

plas, maar hij rijdt in den landauer; zoo'n domme jongen.

Sluiten