Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VREEMD, TÓCH EEN BLIJ KERSTFEEST

89

op 't lijf hadden gejaagd; droevig, omdat hij nou niet mee kon naar het feest, ónmogelijk mee kon.

't Was zijn eigen schuld, en door zijn onbedachtzaamheid had hij 't heele gezin in zoo'n grooten angst gebracht, maar moeder vond 't nu toch jammer voor haar jongen, dat hij 't feest missen moest; moeder dacht niet meer aan zichzelf en aan haar boosheid van gisteravond. Ze had zélf wel de koorts willen hebben, als hij dan maar mee kon gaan. Hij hield zooveel van mooie dingen, dat wist ze wel. Hij was zoo'n vreemde jongen.

Zijn roode kleur wordt al wat matter. Dat is wel goed. O, misschien is hij morgen of overmorgen wel weer beter. Maar vandaag moet ze hem er warmpjes onder houden!

Hij meegaan in de open boot naar 't feest? Och,

waar dénkt ze toch aan, domme moeder, die ze is. Hij moet maar Kerstfeest thuis vieren met haar. Zij beidjes samen thuis in 't warme kamertje, en de anderen dan maar....

Hans deed van morgen nog zoo vreemd, 't Kwam zeker van de koorts. „Moeder!" zei hij telkens, „moeder!"— En dan wilde hij haar iets vragen, maar hij vroeg het nooit. En toen ze gezegd had: „Wat wil je toch, m'n jongen, wat moet je toch vragen," had hij gefluisterd: „Moeder,— ik wéét het niet goed! "

„Kom nou, meid, kom nou toch! Treuzel niet zoo lang."

Hanna stond te trappelen van ongeduld dien middag, omdat Bep niet voortmaakte. En vader was al naar buiten om de boot in orde te maken.

Die Bep! Anders was ze altijd haantje de voorste

en nou treuzelde ze zoo. Telkens weer scharrelde ze in de kast onder haar eigen bedsteê, waar allerlei oud speelgoed bewaard werd. Wat móest ze daar toch? Wie begint er nu in zoo'n speelgoedkast te zoeken als je gaat naar een feest!

Klein Anneke was maar vast buiten op het trapje gaan

Sluiten