Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VREEMD, TOCH EEN BLIJ KERSTFEEST

91

wat moeder óók blij maakte, want ze knuffelde Barend tegen zich aan en zei: „Ja, doe jij dat maar!"

„Dag Hans, dag jongen!" baste vaders stem.

„Dag vader!...."

„Dag Hans, dag!" „Dag Hans!" riepen vroolijke

stemmen. „Dag Ans! Ikke ook mee!" kraaide een hoog stemmetje er boven uit.

Toen rommelden en stommelden ze het kamertje en den molen uit; maar opeens kwam Bep nog even naar binnen vliegen, heel haastig en heel verlegen. Ze gooide een klein dingetje op Hans' deken en riep: „Dat is voor jou, dat

mag je houwen.!" Ze snelde weer weg en buiten klonk

haar juichstem: „Ik kom, ik kom al!"

Hans grabbelde een zwart potloodje op met een mooi glimmend busje er aan, waarin een stukje gom stak.

't Was een cadeautje, dat ze van de juffrouw op school gekregen had, toen ze jarig was geweest! 't Was een van haar schatten, die ze netjes bewaarde in een sigarenkistje onder haar bedstee tusschen 't oude speelgoed.

't Was nu geworden haar offer aan Hans, aan den armen Hans die thuis moest blijven

„Vind je 't èrg, Hans?" „Nee, moeder!"

„'t Is toch wel jammer hè, dat je niet mee kan." „Jawel, moeder. Een beetje wel." „Spijt het je dan niet héél èrg?" „Nee, niet zoo héél erg...."

,,'n Vreemde jongen toch," dacht moeder terwijl ze een beetje ongerust haar hand op zijn voorhoofd lei om te weten, of de koorts weer terugkwam. Hij voelde zich misschien zoo ziek, dat hij heelemaal geen verlangen meer

had naar het feest 't Was tóch vreemd. Hij hield

zooveel van mooie, schitterende dingen. Zoo'n Kerstboom had hij nog nooit gezien. Wat jammer toch voor hem! Ze had den heelen dag al zoo'n meelij met hem gehad en ze

Sluiten