Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VREEMD, TÓCH EEN BLIJ KERSTFEEST 93

ronde pookgat in de oude kachel gloeide al zoo mooi; 't was net een vriendelijk oog, dat Hans aankeek, alsof 't zeggen wou: ,,'t Is hier óók wel goed, hè?"

Het tikke-takke van de klok viel neer in die stilte als een rij van fijne droppeltjes, waaraan geen einde kwam. En op de kachel zong de waterketel zijn oude, mooie liedje, dat niemand goed verstaat!

Hans lag, zoo heerlijk weggedoken achter het half uitgeschoven groene gordijntje van de bedstee, te kijken naar den donker, die langzaam de baas werd in 't kamertje, naar dien goeden donker, die de heele bedsteê vulde, en die zich heel stil ook om moeder en om Hans heen wond.

Neen, bang maakte die donker hem nu niet meer. Hans lag maar heel stil te rusten, altijd maar te rusten; hij voelde zich nu niet koud en niet warm meer, niet angstig of gejaagd, hij voelde zich nu alleen maar heerlijk moe en wilde maar liggen lekker languit, zonder zich te bewegen.

Bep's potlood lag op 't witte laken dicht bij zijn neus.

Op 't blikken busje was nog een glimpje van licht

„Die goeie Bep!"

Nu joegen de vreemde, angstige gedachten niet meer zoo wild door zijn hoofd, 't Was nu heel rustig in zijn denken.

„Ik kom zóó bij je zitten, hoor. 'k Moet nog even de melk klaarmaken."

„Ja, moeder!"

„Zal 'k ook maar eerst de lamp opsteken? Dat hadden we afgesproken." „Nee

„Niet? Nou dat is goed, dan zullen we het eerste

kopje in den donker drinken en 't tweede bij de lamp." „Moeder! Hoor 'es ...." „Ja, jongen."

„Moeder, zouden de engelen in den hemel nu óók kerstfeest vieren?" „Hè?...."

Sluiten