Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

zoo'n vreemde jongen

alléén maar op dien weg zien, daar, waar 't eindigt, en waar een doorgang in die struiken is.

De wind, die vroolijke, speelsche rakker!

Kijk nou! Kijk nou!

Daar rolt opeens een hoed over den breeden weg, de opening in de struiken voorbij .... Een deftige hoed!.... Daar gaat-ie op 'n holletje de wijde wereld in.

Hans ziet hem, holt hem al achterna ook; want een eindje verder, waar de tocht den weg snijdt, is een brug .... Die hoed gaat te water, als Hans hem niet grijpt, 't Gaat op een wilden ren, wie 't winnen zal, die jolige wind met den armen hoed, of Hans met den zwaaienden broodzak op z'n heup....

Daar is 't water al Hans grijpt, grijpt en valt op

z'n buik, en slaat met z'n vuist nog een deuk in den hoed .... Te laat, net nog wipt dat zwarte ding van den kant in de tocht, en de wilde wind zwiert in jagende vaart voorbij, gierend van pret: „Toch nat, toch nat!"

Die wilde wind jaagt zoo wonderlijk heen en weer, hij flakkert tegen de drie van 't dijkje op, die komen aanhollen, nieuwsgierig om te weten,, wat er opeens te doen

is, en waar Hans zoo plotseling blijft Hij blaast óók,

plaaggeest die hij is, midden op den weg over een oud hoofd heen met zilverwitte haren, dat twee handen, met mooie bruine handschoenen, verschrikt vasthouden....

„M'n hoed! Pak hem!" roept een stem op den weg.

Hans heeft den armen hoed al gegrepen, maar 't ding druipt van 't nat. Hans slaat hem uit, keert zich om en .... schrikt.

De dokter! Daar komt hij aanstappen met een boos

gezicht, boos op den wind; — en zijn bruine handschoenen geklemd over zijn hoofd om de kou.

Hans wist niet, dat het de hoed van den dokter was, die daar op eens heenhoepelde; hij was hem achterna gerend zonder omzien, om hem nog te redden....

„Zoo! Dank je wel!" bromt de oude heer, terwijl

Sluiten