Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar ze zelf altijd eten gebracht had. Maar bijna overal waar ze kwam, deden ze de deur voor haar neus dicht, want die broer van Lodewijk had hun allemaal verboden, iets aan Elisabeth te geven. De kleintjes werden moe en koud. Maar op 't laatst hikten ze van verdriet en bleven hun wangetjes nat van de tranen. Ze kropen tegen Elisabeth aan, die hun om de beurt droeg, 't Kleinste kon bijna nog niet loopen. Dat droeg zij den heelen weg. De andere drie moesten dan maar tevreden zijn met om de beurt 'n eindje. De grootste, 't was 'n jongetje, ('n héél verstandig jongetje), zag eindelijk, dat zijn moeder moe was en bijna niet meer verder kon. Hij zei om haar te troosten en te helpen: „Moeder, ik kan nog best 'n héél stuk loopen. En ik heb ook zoo'n ergen trek niet meer. Ik zal zusje wel aan 'n handje meenemen, dan hoeft u haar niet zoolang te dragen, hè moeder?" Bij 'n boer mocht ze slapen, in 'n stal, waar 't koud was, net zoo koud als in 't stalletje van Bethlehem; en daar was ze blij om, want nu was ze net zoo arm als O. L. Heer. En arm is ze gebleven tot ze stierf.

5 — 142

57

Sluiten