Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

was ze er gelukkig door, dat er over iets anders werd gesproken, dan waarover zij onophoudelijk dacht.

„Hiernaast?".... „Och kom!" — „Hoe dan zoo?" klonk het van verschillende zijden.

„De wagens moesten hier den hoek omslaan," vertelde Kristien.

„En die waren zoo onbeholpen lang en lomp,'' viel een van de anderen haar in de rede.

„Nu ja — en toen dan de tweede den draai wilde nemen, brak het rad of de ijzeren band sprong van het wiel af, dat weet ik niet, maar door den schok viel een der meisjes, die voor het trapje stonden te kijken, er af en zou zeker onder de hoeven der paarden van den derden wagen zijn gekomen, had niet een van de kerels haar vlug op zij gesleurd en een eindje verder gegooid. 'tKind gilde en schreeuwde verschrikkelijk en ze moet zich ook erg hebben bezeerd."

„Och, maar daar heb ik niets van gehoord," viel Sien haar haastig in de rede.

„Moet jij dan alles weten?" liet Agnes lachende hooren. „Maar zeg Kris, is dat kind nu hiernaast?"

„Ja, ze kwamen er eerst hier mee, maar wij konden haar niet hebben. Onze serre was er anders net zoo heerlijk voor geweest. En toen hebben ze het in de herberg gebracht en nu vertelde onze meid, dat het kind en die groote hond onafscheidelijk waren. Hij volgde haar overal op den voet en was niet van haar af te slaan en nu ze te bed lag, let hij zich daar vlak voor."

„Gunst, hoe aardig, hoe verrukkelijk aardig!" zei Agnes. „Dat moet ik van avond aan de jongens vertellen. Wij houden allen zoo dol veel van honden."

„Ik ging dat arme kind eens opzoeken," zei Dora pikant. „Pas op, steek dat taartje niet in je mond, breng haar dat liever."

Sluiten