Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kristien, „is werkzaam op eene scheepstimmerwerf. Voor eenige maanden heeft hij zijne vrouw verloren en nu voor eenige dagen werd hij, alsof het ongeluk hem vervolgt, door eene katrol verwond en nog wel aan 't hoofd, 't Is anders zoo'n flink oppasend man, die onder al zijne zorgen 'thoofd zoo goed boven water houdt."

„En nu moeten we hier zijn," zei Tante, toen ze eenige huizen verder de deur van een andere woning opende. Hier zaten twee oude vrouwtjes, die zich schijnbaar zaten te verlustigen en te koesteren in de vroolijke stralen der morgenzon, die de kleine ruimte zoo prettig verlichtte.

„Daar hebben we ons Mevrouwtje, wed ik," zei eene van de twee, terwijl ze hare verglaasde oogen naar de deur richtte. „Ik kan 't hooren aan 't omdraaien van de kruk."

„Ja, daar heb je ze," zei deze, maar nu niet alleen. Ze heeft nu haar nichtje meegebracht, en zich haastig wendende tot de tweede, die al naar een stok greep, die dicht bij haar stond, liet ze er op Volgen:

„Maak nu geene drukte, Elze. — Je weet wel, ik krijg zelve mijn stoel," en de daad bij 't woord voegende, nam Tante een stoel en zette er tegelijk een voor Kristien naast.

„En hoe gaat het de luidjes?" vroeg ze op zoo gezelligen toon mogelijk, terwijl ze zich nederzette.

„We koesteren ons in 't zonnetje, Mevrouw," zei degene, die 'teerst had gesproken. „Wat kan een mensch beter doen dan de zonnestraaltjes opvangen, die hem beschijnen! Heeft u uw nichtje bij u? Dan wou ik zeggen, Juffer, dat ik u niet kan zien en de zonnestralen ook niet meer, maar dat ik God tóch dank, dat ik ze nog voelen kan, want ik zeg toch maar, dat dat een genot is."

Elze keek Kristien eens aan en zei: „'tis hier de huishouding van de lamme, die de blinde, leidt en toch hebben wij 't beide zoo goed, Juffer — Mijne zuster heeft altijd

Sluiten