Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

wat te vertellen. Ze ziet niets, maar ze ziet toch nog altijd zoo veel en we hebben zoo nooit geen verdriet en als mijne zuster dan eens uitgepraat is, dan neem ik eens een boek en lees wat voor."

„En dan zijn er vriendelijke menschen," viel de blinde in, „die het zonnetje nog laten schijnen, al is de groote zon ook ondergegaan en dan is 't zoo heerlijk te denken, dat we nooit worden vergeten en dat, al hebben we allemaal ons kruis te dragen, in de wereld er ook altijd goede menschen zijn, die ons kruis helpen verlichten."

„Ze gaat er weer van door;" zei Tante, terwijl ze Elze glimlachend aankeek. „Ik, merk wel, er is hier nog warmte gonoeg."

„En is u al lang blind geweest? vroeg Kristien.

„O ja, al eenigen jaren, Juffer. Eerst kwam 't zoo zachtjes aan, even alsof 't me bang wou maken en 't maakte me ook bang, maar hoe donkerder 'twerd om me heen, zooveel te lichter werd het in mij en nu 't heelemaal nacht voor mij is, nu schijnt die zon veel helderder dan ze ooit heeft gedaan."

„Elze," zegt Tante opstaande, „laten we er nu een speldje bij steken. Laten we samen eens praten over de provisiekast. Heb je je wekelijksche lijstje klaar?"

Elze krijgt iets uit de tafella vóór haar en zegt, eene strook papier overhandigende:

„Alweer met de gewone vrijheid Mevrouw, er 'teen en ander opgezet."

„Nu, daar spreken we niet meer over," zegt Mevrouw Van der Moolen; 'tlijstje nalezende en in haar zak stekende, zegt ze opstaande: ,,'t Is in orde. De knecht komt het van avond brengen." Hierop de blinde de hand drukkende, vervolgt ze; „Nu praatvaar, voel 't zonnetje nog maar lang hoor."

„Als ik deze hand voel," zegt die ongelukkige, terwijl zij

Sluiten