Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8i

raad uitgespreid op de gebloemde deken — zelfs al was al het gekochte speelgoed uitgestald geworden, dat magere, bruine gezichtje zou er zich niet naar hebben omgekeerd, en die brandende oogleden zouden zich er niet voor hebben geopend. Altijd door klopten die dunne blauwe aderen aan de slapen van zijn hoofd, joeg die kleine pols met eene verontrustende snelheid, prevelden die lippen onverstaanbare woorden. — Altijd door! — Maar dan ook herhaaldelijk dat droge klappen met die lippen — en wat waren er dan geene handen gereed, om hem met wat drinken te laven: 'tscheen hem zoo goed te doen. Somtijds, als daar zoo'n vriendelijke hand hulp verleende, kwam er een gelukkige trek, doch even maar, om die lippen.

Zoo volgde er nog een dag en daarna een nacht. 'tWas tegen den morgen. Kees was den dokter gaan halen en terwijl hij hier en daar de hanen al hoorde kraaien, als waren ze blijde met den aanbrekenden dag, ging hij voort in 't volle bewustzijn, dat de bok en bokkenwagen nu wel aan een ander konden verkocht worden .... Aan een ander.... Arme oude Kees! Zelf had hij nooit kinderen gehad, nooit

gedroomd, welk een genot het moest zijn, ze te bezitten

nu voor 't eerst had hij zich eene voorstelling gevormd van een ventje, waarvan de leiding hem ook toekwam voor een

deel.... maar 't was ook niets meer dan droomen geweest

want een vriendelijk woord had hij niet van hem gehad nooit een vroolijken lach van hem gehoord, hem ter nauwer-

nood gekend en toch nu hij daar de stille straat overging,

waarin hij zijn eigen haastigen tred hoorden weerkhnken, was het hem zoo bang te moe, alsof hij alles, wat hem hef was in 't leven, verloren had.

Maar zoo ging het Kees niet alleen. Zij, die daar om het keurige ledikantje stonden of geknield lagen, zoo hunkerende, om nog iets te kunnen doen, wat dat bitter lijden vermin-

HET ZONNETJE VAN BINNEN. 6

Sluiten