Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii7

Ik houd het er voor, dat Sientje haar plezier best aan kan bij hem."

Oom had al een kaartje voor nicht genomen. Ze zouen 't maar in de derde afdoen, had hij gezegd en gelukkig, de reis duurde niet zoo heel lang. Spoedig waren ze aan de plaats hunner bestemming, waar een lange, slungelachtige jongen met een bleek gezicht en een paar gluipende oogen hen aan het perron opwachtte en oom Dorzig aansprak met den naam van „Pa."

„Zoo jongen, ben jij daar?" vroeg deze. „Goed opgepast! — Hoe is 'tthuis?"

„Best," zei de jongen, „maar Moe krampt weer."

„Zoo. — Kijk, hier heb je nou je nichtje, waarover ik geschreven heb," het zijn vader er op volgen, terwijl hij op Sientje wees.

„O!" het de jongen met een lijzige stem hooren. Maar

alles, wat hij deed-, was lijzig: het hoofd voor zijn vader heen vooroverbuigen, om nicht zoo ter sluiks eens op te nemen, zijne manier van loopen of hij altijd knikte in de knieën, zijn praten, zijn stem, zijn handen, alles was lijzig-

„Daar kun je nou ons huis net zien, nicht, het neef een oogenblik later hooren en hij wees haar een ouderwetsch winkelhuis, nog zoo antiek gebouwd, met trapjes in den gevel en kleine ruitjes en na nog eenige stappen gedaan te hebben, stootte neef de deur open van dat ouderwetsche huis en trad binnen, er niet aan denkende iemand voor te laten gaan, terwijl hij op zijn gewonen lijzigen toon liet volgen: „Blijf maar."

Op 't geluid van de bel (dat „Blijf maar" scheen niet gehoord te zijn) vertoonde zich het eerst een meisje, Wel wat het pendant van haar broer, maar die toch met eenige harte-

Sluiten