Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n8

lijkheid het tweetal tegemoet trad en Pa eene hand gaf en Nicht eveneens.

Voor het groote raam, dat uitzicht gaf in den winkel, vertoonde zich nog een gezichtje, dat echter spoedig verdween en toen Neef nu gedienstig vooruittrad en de deur van een kamertje openstiet en oom Sientje een duwtje gaf, om haar naar binnen te doen wippen, werd de kennis gemaakt met Tante.

Tante, een lange vrouw met een geelbleek gezicht (haar zoon geleek als twee druppels water op haar) zat daar in een kwijnende houding met een groote shawl om de schouders geslagen in een soort ziekenstoel. Toen nicht binnenkwam en daarna oom op haar toe trad met de woorden: „Zoo vrouw, hoe heb je het?" sloeg ze eenigszins lijdend de oogen op en zei op kermenden toon:

„Dag man, — och het krampt me weer zoo."

„Dag Moe," lijmde de jongen.

.... „Pietekoo!" zei Moeder.

„Moe," — liet de dochter hooren.

„Pieternel !" zuchtte Moe en 't hoofd een weinig naar Sientje keerende, vervolgde ze op denzelfden temenden toon:

„En is dat nou nichtje?.... me recht plezierig je kennis te maken, kind.... je bent er ook al naar afgekomen.

„Ga daar zitten, nicht; — Pietekoo, geef eens een stoel."

De jongen gaf geen stoel, maar schoof er letterlijk een onder Sientje, die van den gevoeligen duw tegen hare knieën er op neerviel.

„En heb je 't altijd gezond, nichtje?" begon Tante weer.

„O ja, Tante, dank u. Ik voel bijna nooit iets."

„Een groot voorrecht kind.... Ik kramp bijna altijd. In 't hoofd, in de beenen, in den buik, in mijne maag, in mijn hart, — overal heb ik kramp?"

„Moe — waar heit Moe het nou?" vroeg Pietekoo. „Zal ik de drupjes eens halen of het smeersel."

Sluiten