Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik dacht, dat wij ze niet noodig hadden, Tante. We kunnen 't immers met ons beiden wel af?"

„Ja, maar je weet wel," liet Tante hooren, „het verstand moet boven 't gevoel gaan. Ik verlang geen andere en betere hulp dan de uwe, maar ik zou u op die manier opofferen aan mij."

„Och, Tante."

»'t Is waar, Kristien, gij hebt van 't najaar wel eens gesproken van Louize."

„O neen, Tantelief die nu niet!" en ze dacht er bij:

Die heeft andere en vroolijker indrukken noodig dan ze hier nu ontvangen kan. — „Louize mag ik nu weer niet aan mij opofferen."

„Maar zou Mama dan niet eens lust hebben, u wat gezelschap te komen houden?"

Ja, dat denkbeeld lachte Kristien meer toe en ze had er ook niet lang over te denken, om te beslissen, hare Moeder eens van alles op de hoogte te stellen en te schrijven, dat hare overkomst zoo welkom zou zijn.

En eenige dagen later. „Flink zoo!" zei de dokter, toen hij de ziekenkamer binnentrad. „Ik merk tot mijn. genoegen, dat Juffer Kristien mijn raad niet in den wind heeft geslagen. Ik heet u hier welkom, Mevrouw; u brengt, hoop ik, de eene patiënt beterschap en de andere hulp aan."

Ja, en Kristien moest het zich na eenigen tijd bekennen, dat de overkomst van hare Mama een heerlijke zaak was. Ze kon nu eens vertrouwelijk raadplegen, tevens over iets anders praten en ze gevoelde t zelf, dat de rust, die ze nu meer genoot, haar goed deed.

't Scheen werkelijk na eenige weken, dat Mama beterschap had meegebracht: Tante gevoelde zich sterker en opgewekter, sliep 's nachts beter en zat ook meer op haar stoel dan vroeger.

Sluiten