Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

zijn makker; „me dunkt, 't zal naast middernacht zijn, zoo lang lijkt me de weg."

,,'t Is nog twee uur vóór middernacht, de derde wachtklok zal zóó geluid worden, en over eenige minuten zijn wij bij het bisschoppelijk hof."

De eerstvolgende straat kwam uit op het Domplein. Reusachtig rezen daar de donkere schaduwen der Domtorens voor hen op. Daar klonk reeds de

eerste slag van de wachtklok, toen welk een

ontzettende donderslag! De vorigen waren er niets bij geweest! Het dreunde en ratelde en rommelde boven en beneden en overal rondom.... dé aardbodem spleet en met donderend geweld stortten huizen in een. In enkele minuten lag een deel der mooie, sterke stad in puin, en uit verstikkende stofwolken stegen de jammerklachten op.

Toen Walraff von Thierstein uit zijn verdooving bijkwam, merkte hij, dat hij tusschen twee balken geklemd lag. Hij riep zijn vriend, maar kreeg geen antwoord, en in de duisternis kon hij niets onderscheiden. Met groote moeite gelukte het hem zijn eenen arm vrij te maken en hoewel die hand gewond was, tastte hij toch om zich heen. Daar voelde hij een lichaam. Was 't zijn vriend? Hij herkende de krullende lokken op 't voorhoofd en den zwaren gouden halsketting, maar met ontzetting voelde hij meteen hoe alles vol bloed zat en het lichaam ijzig koud was.

Daar zag hij lichten, ze gingen heen en weer in de duisternis als glimwormen.

„Om Godswil, hierheen!" riep hij uit alle macht, en weldra naderden eenige gestalten, die fakkels

Sluiten