Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33

den wild, vol vuur van toorn en woede. De duistere kracht der verblinding, de diep ingewortelde haat tegen den Nazarener, het stijfhoofdig vasthouden aan de van de vaderen geërfde gewoonten, bezielden hem geheel. Hij sprong op als wilde hij vluchten voor den bliksem van 't woord, dat hem op eenmaal het gansche hart van zijn dochter ontsluierde en het raadsel daarvan op een zoo verschriklijke wijze had opgelost. Snikkend omklemde Thirza zijn knieën nog vaster. Haar gansche lichaam beefde; doch zij gevoelde de levendige nabijheid van haar Heere. Haar vader was als door het onweer getroffen. Eindelijk vond hij woorden voor zijn toorn.

„Wat? wie heeft dat gedaan? Op de lippen mijner dochter die vervloekte naam? Vervloekt zij" —

„O vader, vloek niet!" gilde Thirza, „laster den Heiligen Naam van mijn Heere en Heiland niet! Lieve vader, vloek Jezus niet. Hij is de Messias Israëls!"

Toen brak de duistere woede van den ongelukkigen man uit in den ontzettenden vloek, dien de arme kinderen van het, in blindheid des ongeloofs verzonken, Israël over den Heiligen Naam, door welken alleen zaligheid mogelijk is, plegen uit te spreken: „Vervloekt zij die naam; hij worde uit gedelgd, voor altijd en eeuwiglijk, en verrotte de tong, welke hem uitgesproken heeft."

Wie rilt niet bij het hooren van zulke ontzettende woorden? Hoe doorboorden zij het hart van Thirza!

Thirza. 3

Sluiten