Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138

Weldra waren wij in een opkamer bezig met ons „goddeloos" vermaak. Om Gordon recht te laten wedervaren, was hij zeer bedreven in het ronddeelen der kaarten. Hij en ik waren maats en wonnen achtereenvolgens drie spelen van Tom en mister Scarborough. Bij het vierde spel was het Tom's beurt te geven. Toen Tom de negen kaarten van harten keerde, was het opmerkenswaardig, dat er zich slechts drie kaarten onder de stokkaart bevonden.

„Heil" zei ik, „er mankeeren een paar kaarten."

„Ja," zei Gordon, „iemand speelt er valsch."

„Mij dunkt, dat het 't beste zal zijn, als wij de kaarten, met de prentzijde naar boven, op de tafel legden," zei Tom minzaam.

„Precies zooals ik vermoedde," bromde Gordon, „de vier boeren zijn weg."

„Als er slechts twee ontbraken," ging Tom vriendelijk-kalm voort, „ware zulks wellicht niet opgemerkt, 't Is waar," zei Tom met klimmenden ernst, toen hij harten- en ruitenboer van zijn Bchoot nam, „dat ik deze twee heb laten vallen, en nu verzoek ik u, Gordon, mij de andere twee te overhandigen."

„Je bent een bedrieger I" bulderde Gordon. „Neen, neen, houd je handen thuis," voegde hij er plots bij, doodelijk verschrikt,... „sla mij niet. Ik neem die uitdrukking terug." Want Tom was opgestaan, Met echter, om dat rondborstige, edele jonge mensch te slaan. Door hem stevig bij den kraag te pakken, tilde Tom hem van rijn stoel op.

„Daar!" zei Tom ernstig en wees naar de vermiste boeren, waarop Gordon gezeten had. „Vijf rondten heb ik gemaakt, om den persoon te brandmerken, die voortdurend twee kaarten uit het spel achterhield. Vrome jongens spelen niet op die manier!'*

„God zegen me!" riep mister Scarborough uit. „Ik wist niet, dat m'n zoon een valschspeler was."

Gordon moest op z'n knieën vergiffenis vragen. Hij deed dat en beloofde eerlijk, zonder slinksche streken te zullen spelen.

Sluiten