Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Caggett een schrikwekkende onthulling doet en ik het hachelykste oogenblik mijns levens doorsta.

Daar stond ik, naast het zwakke licht van de omlaag gedraaide lamp, in tegenwoordigheid van een knielenden man, worstelend met den doodsangst, als Verstijfd van schrik. Het was een vreeselijk oogenblik — vreeselijk reeds, gelijk het nu scheen, en wellicht nóg vreeselijker in hetgeen het voorspelde. Caggett keek strak voor zich uit, niet naar het bed, maar naar iets, dat zich op één lijn daarmee bevondt. Zijn handen sloeg hij nu eens ineen, dan weer strékte hij ze voor zich uit, als wilde hij een wijselijk visioen van zich weren. Onverstaanbare zuchten en geluiden stegen op uit zijn keel, zuchten en geluiden, die beestachtig klonken, terwijl zij gepaard gingen met menscbelijke wanhoop van iemand, die buiten zich zeiven is van schrik en angst. Destijds wist ik het niet, maar nu ben ik er verzekerd van dat hij, zooals Nugent had voorspeld, gek was van den drank, wat men ook wel delirium tremens noemt.

Ik wilde hem te hulp komen, maar ik was mijzelven niet meer meester, en gedurende een lange spanne tijds stond ik onbeweeglijk met eerbiedige vrees te staren naar het buitengewoon gezicht. Eindelijk begon Caggett zijn gedachten aldus te uiten:

Sluiten