Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

„Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf vastgehouden."

„Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door ernstig voort, „zie je onze Julia?"

Bob en Hans knikten.

„Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige staarte-puntje?"

Weer knikten Hans en Bobbie.

„Toen onzeaieftige Julia nog een heel klein Juliatje was, had ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie mij goed. Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. „Onze Julia is dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve vingers zult gaan belikken."

Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: „leve onze Dorus, leve onze Julia!"

„Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt was afgeloopen.

„Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel.

„Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de heele kippenfamilie angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te tracteeren."

„Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan.

„Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen lag jullie nog op één oor en heb je hem niet kunnen hooren."

Sluiten