Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE VERDWAALDE DWERGJES.

„Er-zijn-die-ven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten durfde ze niet.

Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed. „Hoor je 't?" fluisterde Nel.

Door knikte, de angst benam haar bijna den adem. „Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer.

,,'kDurf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.

„Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar.

„Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze en kneep Door van angst in den arm.

„Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. „Mijn mooien armband heb ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 'tis vreeselijk," zuchtte ze. „En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers."

Sluiten