Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

Op eens schaterde Dolf het uit. „O neen maar, kijk toch eens, kijk eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!"

Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en niettegenstaande de groote verwarring door de „kippenoverstrooming", zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen 't gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.

„Nu nog mooier," zei Nel. „Willen jullie wel eens één, twee, drie, uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie niet in een kippenhok."

„We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin," zei Bob.

„Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog maar domme dieren en weten niet dat ze niet aan de bloemen mogen pikken. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw bederven."

Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.

„Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits, blij, dat hij uit het hok was.

„Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet."

Eindelijk waren alle kippen weer in 'thok. Zelfs de haan, hoewel de laatste van de geheele familie, stapte deftig zijn huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels, die op den grond lagen.

„Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen.

„O, moesje, is u weer beter?"

Sluiten