Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

123

„Maar, vader, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans teleurgesteld.

Oom Karei glimlachte. „Er is bij ons in huis een levend popje — een kindje gekomen."

„Een echt?" Hans schoot van de knie af.

„Ja, een echt."

„O, oom, hoe leuk, hoe aardig!" Even was er doodsche stilte. „Maar, maar, — wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst van zijn verbazing bekomen was. „Eet ze al?" vroeg Hans.

„Hoe groot is ze? — Heeft ze al haar? Slaapt ze? — Kan ze al lachen? Toe, vader, toe vertel eens alles."

„Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en schreien."

„Schreien is praten, hé vader?"

„Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?"

„En Jaap?"

„Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken, doet nu alles even zacht."

„En-enne-vader, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden.

„Niet grooter dan Leni's pop."

„Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn."

„Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes heeft ze."

„Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, Oom," zei Leni.

Sluiten