Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3

Op dat oogenblik trad een klein, tenger mannetje, wiens gelaat gesierd was met een neus van ongewone grootte, het poortje binnen, terwijl een half dozijn burgers hem jammerend volgden. Het kereltje was in het zwart gekleed, droeg een lange pruik, en onder den arm een groenen barbiersbuidel.

„Weest gegroet, mannenbroeders!" — riep hij, nadat hij zijn zwarte kijkers vlug in het rond had laten gaan.

„Goeden morgen, Pitt, hoe gaat het met de jicht van uw vrouw; heeft mijn zalf geholpen? —■ Goeden morgen, vader Digby, nog altijd vlug ter been? Daar ben ik blij om. Doch ik ben buiten adem, geeft mij een stoel. Weet gijlieden de laatste gewichtige berichten nog niet? De koerier die zoo even aankwam — doch geeft mij eerst een stoel, — ha, dank u!"

De kleine man liet zich uitgeput van vermoeienis op het bankje vallen, dat de schoenmaker hem toegeschoven had.

„Och, och! wat heb ik geloopen," voer hij voort in zijn praatzucht, trots zijn kortademigheid. „Het is een geluk, dat ik u hier allen zoo aardig bij elkander tref, geloofsgenooten!"

„Zeg, doktertje, schiet toch een beetje op!" bromde de smid. §tlfe

„Praat door, meester Filps, wat is u wedervaren?" vroeg vader Digby. „Is het een bericht, dat ons verblijdt, of...."

„Gij zult het hooren, gij zult het hooren," riep de dokter, terwijl hij met den barbiersbuidel zwaaide. „Hebt maar een beetje geduld. Ik bevond mij dan op het stadhuis om het dochtertje van den commandant ader te laten.

Sluiten