Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

HAAR HAND — MAAR NIET HAAR HART.

Op het Koninginneplein stond het huis van den rijken handelaar Elias Hamilton. Het was een groot gebouw, uit baksteen opgetrokken, dat met zijn hooge verdiepingen en schoone koepels boven de omringende gebouwen uitstak. Als men de breede stoep was opgestegen, kwam men door een eikenhouten deur, die van buiten met kunstig ijzerwerk beslagen was, in een breede gang met vachten belegd, waaruit een lange wenteltrap den bezoeker naar het bovenvertrek voerde, dat mijnheer Hamilton met zijn familie bewoonde. Gelijkvloers bevonden zich de kantoorlokalen; een rij, eenigzins donkere, zeer eenvoudig ingerichte kamers, waarvan één den rijken koopman als privaat-kantoor dienst deed.

Elias Hamilton zat op zijn ronden schrijfstoel met een brief in de hand. Zijn blozend gelaat drukte een bijzondere mate van voldaanheid uit. Het dunne haar, dat hier en daar al begon te grijzen, hing in lange lokken op zijn schouders en zijn geborduurden kraag. Een gewaad van donkerblauw fluweel omhulde zijn krachtige, breedgeschouderde gestalte; zelfbewustzijn sprak uit iedere beweging, uit iederen gelaatstrek van den man.

m

Sluiten