Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mus-schen en de ja-ger.

Eens za-ten op een hoo-gen tak Een troep-je jon-ge mus-schen. Ze wa-ren al-len klein nog, maar .... Eén dik-ke zat er tus-schen.

Ze za-ten stil; het was zoo warm, Ze za-ten maar te ga-pen, Toen kwam een boo-ze ja-gers-man, Met een ge-vaar-lijk wa-pen. . . .

Hij kroop toen in een dich-te struik. En ging voor-zich-tig mik-ken. Toen... pang! klonk het, en, ach, daar viel, Daar viel de ar-me dik-ke.

De an-dren vlo-gen ang-stig weg En kwa-men niet meer na-der. Och, ja-ger, waar-om deed je dat? . . . Je schoot hun trou-wen va-der.

41

Sluiten