Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

vroege voorjaar, dat daar op volgde, op straat ontmoette, behoorlijk gekleed, met een welverzorgd uiterlijk,, en een nog wat lijdenden trek op zijn smal gelaat, die zou in hem zeker niet meer den ellendigen dronkaard herkend hebben, die op dien noodlottigen winteravond op het punt had gestaan van te verongelukken.

En dit was het heerlijke: met iedere week, welke deze groote verandering aanhield, gevoelde Weeldersma zijn zelfvertrouwen groeien. O, zou hij het niet winnen? Zeker. En dat door zijn eigen, oude wilskracht.

Zijn beschermer, de jonge Dokter, bleef in dat opzicht veel en veel langer twijfelen, maar toen de lente reeds weer voorbij was, e,n de zomer half weg, toen moest toch ook hij toestemmen, dat de beeldhouwer zich kranig hield, en dat zijn eigen moeite niet tevergeefsch was geweest.

Slechts één ding was er, dat hun beiden veel zorg baarde. Hoewel Weeldersma waarlijk zijn best deed, en goed werk leverde, toch kon hij maar niet vast in zijn afnemers komen. Telkens weer kwam dat nare verleden er tusschen en nu hier, dan daar bemerkte hij, dat de menschen er achter kwamen, wie hij eigenlijk vroeger geweest was. De Dokter vreesde, dat al die tegenslag hem eindelijk wellicht moedeloos zou maken, al beweerde de beeldhouwer telkens weer: „neen, ik wil er nu bovenop komen en blijven ook." En eindelijk meende de beschermer de oplossing gevonden te hebben, welke zijn beschermeling redden zou.

Weeldersma moest elders, in een ander land, waar niemand hem kende, of iets van zijn verleden wist, nog eens beginnen. Daar was natuurlijk ook heel wat tegen; allereerst zou Weeldersma dan alle toezicht missen, en wanneer het in het buitenland eens niet ging, dan zou het daar nog steviger mis gaan dan hier. Gelukkig echter verklaarde een oud studiegenoot van den

Sluiten