Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6o

„Een student?" vroeg hij haast verachtelijk, „en wat heb je hem geantwoord?"

Finie sloeg de oogen neer voor dien feilen, vijandelijken blik van haar broer. Ze was bang geweest voor zijn heftigheid, voor zijn jaloezie, die ze wel kende. Daarom had ze gezwegen. Maar ten slotte was ook zij een Weeldersma. Welk recht had Flip om zoo minachtend en bijtend te vragen? Heel zacht nog, maar toch ook heel beslist, zei ze: „Hij is nu afgestudeerd, en wacht een beroep als predikant.... Ik heb nog niet geantwoord. Maar ik moet het nu toch doen . . . Vanmiddag wil ik er nog met Tante over spreken." "

„En je zegt natuurlijk: Neen?" vroeg Flip hoog.

Voelde Finie den angst niet, die meteen in zijn stem doorklonk, den angst, dat hij haar zou verliezen?

Ze hoorde dien angst misschien wel, en toch zei ze: „Ik zal zeggen: Ja!"

Toen ze samen naar huis liepen, was er geen zonnelicht meer. Dreigende welken dreven laag langs de luchten en het begon te regenen. Echt iets voor Maart; zoo prachtig weer, zoo regenbui.

Ook Flip was somber gestemd. Nu dacht hij er niet aan, zijn arm door dien van Finie te steken, gelijk hij dat dien morgen gedaan had. Ook zei hij niets meer, en zwijgend bereikten ze samen Juffrouw Dibbits' woning.

De goede vrouw had voor een extra-tje gezorgd, en van de koffietafel iets feestelijks gemaakt. De jongelui deden haar disch echter weinig eer aan. Hadden ze getwist? Dat.was ze van die twee waarlijk niet gewend. Misschien zou ze nog meer aandacht aan hun houding hebben gegeven, wanneer ze zich zelf niet zoo wonderlijk gedrukt en onrustig had gevoeld. Ze was eigenlijk niets lekker, en sprak ervan een uurtje te gaan rusten.

Toen ze goed en wel lag, vroeg ze Finie naar Dientje te gaan

Sluiten