Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Lieve hemel," zei Lon.

„Wat 'n gelukje," Ans kwam er heelemaal van bij. „Ik begon heusch al bang te worden dat we de mantels kwijt waren, hoor."

„Ik hoor ze hier schreeuwen," juichte Lon, „ze hebben ze misschien al ingehaald." En ze rekten alle twee haar halzen om te zien, maar ze zagen niets.

„Jammer dat we afgesproken hebben hier te wachten, anders konden we ze tegemoet loopen," meende Lon.

„Doe jij 't maar, ik wacht hier, ik ben nog half dood," kreunde Ans, maar dat wou Lon niet doen.

„We moeten het bij de politie aangeven," zei Ans met verontwaardiging.

Lon keek ontdaan.

„Moet dat ?"

„Natuurlijk, het zijn toch dieven."

„Ja." Lon keek opeens ernstig; ze had het tot nog toe als 'n pretje beschouwd, nu bezag ze 't pas in een ander licht. „Dat is vreesdijk," zei ze.

„Nou, zulke kleine kinderen en dan al zoo slecht."

„We hóéven het toch niet tegen de politie te zeggen?" begon Lon weer.

„Dat geloof ik niet."

„Ze hebben het misschien niet gedaan om te stelen, het was vast maar 'n grapje."

„Kan je denken, mooi grapje," riep Ans verontwaardigd, „neen hoor, ze zijn wel degelijk slecht, die kinderen."

Lon keek ontdaan en teleurgesteld; ze kon niet gelooven in de slechtheid van die twee kleine hummels.

„Ze moeten misschien van thuis stelen," zei ze ter verontschuldiging, „dan kunnen zij 't ook niet helpen."

22

Sluiten