Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ze heeft me gebroken," snikte Riet weer, „ze heeft me totaal gebroken."

Juffrouw Klein liet haar nog 'ns drinken, terwijl ze medelijdend over 'r haar streek.

„Zoo, ga je nu afwasschen, dat zal je opknappen," zei ze toen.

„Ik kan niet loopen," huilde Riet, „m'n beenen, o, m'n beenen, o.... m'n.... alles."

„Doet alles je pijn ?" vroeg de juffrouw. „Vreesehjk," snikte Riet.

„Probeer maar 'ns, kom, je moet niet zoo kleinzeerig zijn. 't Zal wel gaan."

Op die woorden begon Riet nog harder te schreien, maar ze deed toch 'n poging om naar de deur te komen.

„Ze stelt zich aan," fluisterde Ans tegen Lon, „kijk maar 'ns, wie doet nou zoo."

„Niet zoo'n beetje," zei Lon dadehjk, „ik begin haar 'n echt naar kind te vinden."

„Toch zie je nu, dat Lena ook niet...." begon Ans voorzichtig te zeggen.

Lon ging opeens recht zitten.

„Wat ?" vroeg ze, „wat bedoel je ? Denk je soms dat Lena voor niets...." „Wat anders ?"

„Wat anders, wat anders, ik ken Lena nü te goed, om niet te snappen dat Riet haar geplaagd zal hebben, hoe dan ook."

„Dan is 't nog erg om iemand zoo toe te takelen, Lon, Riet ziet bont en blauw."

„Kan wel zijn," riep Lon uit, „maar 't is nog veel erger iemand altijd te plagen, en je weet wel dat Riet dat toch altijd doet. Ze is altijd bezig om Lena...."

109

Sluiten