Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar ik.... ik ben zoo dikwijls lastig, ik ben zoo

bang o, lieve, lieve moeder, u zult er zeker spijt van

krijgen."

„Hoe heb ik 't nou met je, Lenie ? Het zal ons zeker nooit spijten, daar ben ik van overtuigd," riep mevrouw van Lare uit, „integendeel, we zullen zeker nog je komst zegenen, want ik weet dat je 'n goeden invloed op Lon zult uitoefenen."

Lenie maakte 'n verschrikt gebaar, mevrouw van Lare lachte even.

„Ik weet wel," zei ze langzaam, „wederkeerig zal jij misschien nog wat van Lon kunnen leeren, maar dat is nu juist het mooie, dat jullie elkaar op zult voeden en dat je ónze vreugde zult zijn. En dan zal je lieve Grootma met vreugde uit den hemel op je nederzien."

„O, ik hoop dat ze het weet, dat ik 't nu zoo heerlijk en goed heb." En nog schreiend sloeg ze de armen om den hals van mevrouw van Lare en zei: „Nooit, nooit zult u er spijt van hebben, daar zal ik voor zorgen. Ik zal 'n lieve, goeie dochter voor u zijn en voor u ook," zei ze, de hand naar meneer van Lare uitstekend.

Hij trok 't kleine meisje dicht naar zich toe : „Dat is mooi," zei hij vriendelijk, „maar ik beloof je even plechtig 'n goeie vader voor je te zullen zijn."

Lon verbrak den ernst door in 'n schaterlach uit te barsten.

„O, die maUe vader, die malle vader," riep ze, „alsof hij anders zou kunnen zijn dan 'n schat! Lenie, Lenie, vader is de liefste man ter wereld."

„Dat weet ik wel," zei Lenie en Lon greep haar beet, juichend : „O Lenie, Lenie, nou heb ik dan toch eindelijk m'n zin, nu heb ik 'n zusje !"

143

Sluiten