Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

Schobbertje

schen er bij. Maar weer uitstellen de dag was ook nog

zoo lang!

En zoo bleef het uitstellen tot 's middags na het eten, toen zus Elsje aan Vader om een potlood vroeg. Ze wou wat teekenen in haar schrift. Vader had er geen bij de hand en zei toen tot Hein:

„Geef jou potlood maar een oogenblikje, Hein."

Daar had je 't nou! Nu was er gelegenheid om het te zeggen. „Nu moet het!" zei Hein in zichzelf, „nu moet het!" Maar de woorden wilden hem niet van de tong en toen Vader hem aankeek en nog eens zei: „Geef jou potlood maar even," toen sloeg hij zijn oogen neer en stamelde verward:

„Eh dat heb ik niet, Vader ik heb 't verloren."

Hij voelde dat-ie 'n kleur kreeg, maar nu éven volhouden, dacht hij, dan was 't ergste voorbij en was hij van alles af.

„Verloren, zeg je, wanneer?"

„Ik weet het niet, Vader," loog Hein, „gisteren heb ik 't pas gemerkt."

„En vertel je dat nu pas?"

„Ik dacht dat ik het misschien nog wel vinden zou."

„Hm »'t is erg. 't Is wat moois. Jij bent niets nut.

Zoon duur potlood zoo maar te verliezen. Als straf moest je eigenlijk geen cadeautjes krijgen» met je verjaardag, 't Wordt tijd, dat je eens meer ordelijkheid leert, 't Is wat moois...."

Hein hield zich muisstil. Vaders booze bui dreef langzaam af en Hein begreep, dat als Vader alles had geweten, hij er niet zoo makkelijk zou zijn afgekomen.

Zie zoo, dat was voorbij. Hein voelde weer een verruiming. Met die geschiedenis van dat nare potlood had hij nu niets meer te doen. Nu mocht Schobbertje het potlood

Sluiten