Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het potlood komt ter sprake

49

houden. Wat kon 't Hein verder schelen, wie dat potlood had? Hij zou het niet willen terughebben, want hij kon toch niet tegen z'n vader zeggen, dat hij het weer ergens gevonden had?

Maar die verruiming, die schijnvreugde duurde maar kort. Langzamerhand kwam er weer een gevoel van beklemming, hoewel hij dacht met die zaak van dat potlood afgedaan te hebben. Waarom had hij niet rechtuit gesproken? Gek toch, hij had het vast willen doen, en toen het er op aan kwam, deed-ie 't niet.

En toen Hein 's avonds op bed lag, was hij ontevreden op zichzelf. Hij had haast niet durven bidden en probeerde gauw in slaap te komen. Maar één gedachte kon hij niet van zich afzetten en het was ook die gedachte, waarmee hij insliep:

„Ik ben een nare jongen.... een.... een.... nou ja, 't is toch zoo.... ik ben een lafaard." Toen viel hij in slaap.

Schobbertje

4

Sluiten