Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOCH VERZOEND

49

„Ik rijd niet met jou, ga weg," zei Cato weer. Even ging moeder terug naar haar slaapkamer. Terwijl ze zich vlug wat aankleedde, vertelde ze aan vader, dat Cato erg ziek was, en hij maar zoo gauw mogelijk den dokter moest laten komen. Toen ging ze weer terug naar Cato. Dokter kwam reeds vroeg ën keek heel ernstig.

„Ik kan nog niets met zekerheid zeggen," zei hij, „ik kom in den loop van den dag nog wel eens terug."

Moeder bleef boven bij Cato, die voortdurend ijlde, en het telkens maar weer had over Koos Martijn, op wien ze nooit meer goed wilde worden.

Moeder zuchtte. Ze had niet geweten dat haar kind zóó aan die boosheid had toegegeven.

Toen dokter tegen den avond weerkwam, en moeder hem vroeg of hij nü wist wat het was, knikte hij.

„Ik vrees voor longontsteking, mevrouw," zei hij.

Wat ontstelde moeder. Longontsteking en dan Cato, die niet sterk was.

Dokter zag het.

„Moed houden, mevrouw," zei hij, „ze kan best nog beter worden. Ik heb wel veel ernstiger gevallen meegemaakt, die toch gunstig verliepen." Moeder knikte. Maar toen dokter vertrokken was, * knielde ze neer in Cato's kamertje en droeg haar kind op aan de zorgen van Hem, Die over dood en leven beschikt. Hij kon het gevaar, dat dreigde, afwenden, Hij alleen.

't Waren dagen van spanning, die de familie Laman nu beleefde. Bij ieder bezoek, dat dokter bracht, kon moeder de bange vraag: „En, dokter, hoe is het?" niet terughouden. En telkens weer moest hij antwoorden: „Nog geen verandering, mevrouw."

Cato lag steeds in hooge koortsen. Soms riep ze opeens: „Moeder, kom dan toch," terwijl haar moeder vlak bij haar was.

Sluiten