Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

16. WEER TERUG BIJ OOM EN TANTE.

O, o, wat begon die Kees te huilen, toen hij wakker werd.

Hij wist geen raad, dat hij de laarzen kwijt was.

Wie zou die nu weggenomen hebben!

En ze waren niet eens van hem! O, o, o, o....

Hij huilde zoo hard, dat de boer hem hoorde.

Die was gaan kijken, of de bliksem nog ergens ingeslagen was.

„Wat doe je hier, jongetje?" kwam hij vragen.

„Ik ben verdwaald," snikte Kees.

„Waar hoor je dan thuis?"

„Bij oom en tante," vertelde Kees.

Kees moest mee naar de boerderij.

Daar moest hij uitleggen, waar oom en tante woonden.

Gelukkig, de boer begreep het.

„Maar dat is wel twee uur ver met 't spoor," riep hij verbaasd uit.

Toen vertelde Kees alles van 't kabouterland.

De boer en de boerin konden het haast niet gelooven. Vooral, omdat de laarzen weg waren.

Alleen, dat begrepen ze wel — Kees moest weer naar oom en tante terug.

Wat deed toen de boer?

Hij nam een groote kippenmand. Daar stopte hij Kees in. Hij schreef een briefje met 't adres. En bracht die vreemde kip zoo naar 't station. En na twee uurtjes werd Kees bij oom en tante thuis bezorgd.

Sluiten