Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

muzikanten huisden in hun prentenboek. De babypop lag stilletjes op haar rug met haar handjes omhoog te glimlachen. Het treintje leek maar even verschoven.

Pas was dat alles in orde, of de mijnheer draaide het knopje van 't electrisch licht om.

Met twee vervaarlijk groote oogen keek hij den winkel in.

Hij wou aan dien dief eens laten zien, dat hij niet bang was, moet je weten.

Hij keek — en keek — maar hij zag niets.

En mevrouw keek over zijn schouder — en keek — en keek — maar zij zag ook niets.

En de juffrouw keek over de trapleuning — en keek en keek — maar de winkel was net eender als 's avonds.

„Moet je ons daarvoor uit bed halen?" bromde mijnheer. Wat hij boos was.

29. IN IEDER GEVAL TOCH WAT.

„Ik — ik hoorde toch echt zoo'n leven," stotterde de juffrouw, terwijl ze mijnheers stok achter haar rug hield.

„U dacht dat U leven hoorde," knorde mijnheer, en liet de revolver in zijn zak glijden.

„We moesten toch maar niet zoo naar boven loopen," vond mevrouw.

„Weet je, die dieven konden zich wel verscholen hebben."

Dat was een gedachte.

Sluiten