Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam, omdat hij er zijn verdriet in uit zong. „Hoor die kleine Ibrahiem van Yadsdi eens!" zeiden de andere herders dan en ze luisterden.

Bij de kudde van zijn oom was een ooi-lam, dat Ibrahiem's lieveling was. In 't voorjaar, toen 't pas geboren was, had zijn oom het willen dooden, omdat het zwak en gebrekkig leek. Toen had Ibrahiem gevraagd dit niet te doen. Hij had het opgekweekt, en verzorgd en al was 't nog wat achterlijk bij de anderen, toch kon 't nu zelf zijn voedsel zoeken.

Geen wonder, dat Ibrahiem, nu hij weer herdersjongen was, dikwijls dacht aan dat mooie verhaal, dat Antreas verteld had in den boomgaard van Manoek Agha — het verhaal van dat schaap, dat weggeloopen was en van den herder die zoolang zocht, tot hij het gevonden had en die het toen naar huis droeg.

Op 'n avond, dat Ibrahiem weer zoo liep te mijmeren, lette hij er niet op, hoe ver hij al gegaan was met zijn kudde. Als een vuurroode bol, stond de zon boven de zee al laag aan den horizont. De opkomende nevel maakte, dat zij nog slechts flauw schijnen kon. Ibrahiem had het niet gemerkt. Hij kwam eerst tot zich zelf, toen zijn hond jankend om hem heen ging loopen, alsof hij zijn meester wilde waarschuwen.

Gelukkig waren de schapen en geiten meegeloopen en niet afgedwaald. Ibrahiem liet ze met hulp van zijn hond omzwenken in de goede richting en een poos later tip-tapten de vele pootjes op het rotspad, dat door de bergen naar huis ging.

Inmiddels ging de zon onder; de korte schemering werd duisternis. Zenuwachtig door dit voor hem ongewone, liep de hond steeds maar om de kudde heen,

14

Sluiten