Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af en toe jankend. Toen ze nog wel een kwartier van huis waren, was het reeds volkomen donker. Maar toen zag Ibrahiem tot zijn blijdschap het licht van fakkels naar hem toe komen. Het waren twee herders, die uitgezonden waren om hem te zoeken. Met hun hulp bracht Ibrahiem de kudde veilig thuis.

Van zijn oom kreeg Ibrahiem echter 'n flink standje. De schapen werden geteld en... er ontbrak er één. Dat eene was... Ibrahiem's ooi-lam!

Zonder iemand iets te zeggen, sloop Ibrahiem weer naar buiten in den donkeren nacht. Hij was wel wat bang. Want het was nu de tijd, dat de wilde dieren rondslopen om het dorp. Toch dacht hij niet in de eerste plaats aan gevaar voor zich zelf. 't Was vooral om zijn lievelingsschaap. Wie weet of 't al niet verscheurd was door een beer of een hyena!

Ingespannen luisterend of hij ook iets hoorde, liep hij langzaam denzelfden weg terug, dien hij daar straks met de kudde was afgekomen.

En weer moest hij denken aan 't verhaal van Antreas, over dien herder, die zijn eene schaap zocht, dat verloren was en het toen ook vond. En dat maakte hem rustig; hij zou ook wel vinden, wat hij zocht.

De maan was opgekomen. De weg was nu niet donker meer. Hoor! wat was dat? Een zacht geblaat! Dat moest zijn lam zijn. Afgaande op 't geluid, speurde bij overal rond. Daar ontdekte hij het diertje, dat in een ondiepe rotskloof lag waar het pad langs liep. De andere schapen hadden met hun dringen en haastig loopen op het rotspad, het er zeker afgedrongen. Met zijn herdersstaf wist Ibrahiem het lam voorzichtig naar zich toe te halen, en toen hij zich ver voorover boog, kon hij het grijpen en in zijn armen nemen.

15

Sluiten