Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

Bob telt, hij vindt — dat Moeder en Vader erg veel leven maken met het verstoppen. Hij, Bob, loopt altijd op zijn teenen. —

„Honderd!" roept Bob eindelijk en begint te zoeken.

Eerst in de kleerkast, zijn eigen geliefd plaatsje, — mis. Achter de keukendeur, — weer mis. „Lacht daar iemand?" Bob staat stil en luistert. — 't Is weer stil. — „Wacht, in de provisiekast kijken." — Bob springt van blijdschap en verrassing achteruit, want niemand anders dan Leni staat daar. — Leni, zijn vriendinnetje. Leni schatert het uit. „Hoe vind je dat nou?" zegt ze, „dat had je niet gedacht, hé!" en ze pakt Bob's krullebol in beide handjes — „hoe vind je dat nou?" herhaalt ze. „Is dat geen verrassing?"

„O, Leni, wat is dat heerlijk, dat jij gekomen bent. O, o!" en Bob pakt Leni bij de handen, bij 't hoofd, hij kan niet begrijpen, dat werkelijk Leni, zijn vriendinnetje, daar voor hem staat. „Blijf je, blijf je heusch bij mij?"

„Ja, ja, den geheelen dag. Ik mag hier ook slapen — morgen ga ik pas weer weg," roept ze blij. „Oom Piet heeft mij gebracht." En dan neemt ze Bob bij de hand en zegt: „Kom, Bobbie,

Sluiten