Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kleine Spion.

Stenne heette hij; de kleine Stenne. 't Was een echte Parijsche jongen, bleek en magertjes; je kon hem even goed tien jaar geven als vijftien; bij die jongens is de leeftijd zoo op 't oog niet te gissen. Zijn moeder was dood; en zijn vader, die bij de mariniers gestaan had, was aangesteld als parkopzichter van een plantsoen in de buurt van den Temple. Alle kindermeiden, alle bejaarde dames met vouwstoeltjes, alle armoedige vrouwen met kinderen, heel het burgerlijk pubhek, dat daar op de grasperken een toevlucht zocht buiten de drukte en 't geraas der rijtuigen, kende den ouden Stenne en mocht hem graag lijden. Ze wisten 't wel, ondanks het vervaarlijke gezicht, dat hij kon zetten tegen losloopende honden en vagebonden, ónder zijn ruigen snorrebaard school een goedige, haast vaderlijke glimlach; en om dien glimlach te voorschijn te roepen, behoefde men maar te zeggen: „En hoe maakt het uw kleine jongen wel?"

Hij was zoo gek met zijn jongen, vader Stenne. Hij had er zoo'n pleizier in, als het kereltje hem na schooltijd kwam afhalen, en ze samen door de laantjes van het plantsoen wandelden, bij iedere bank stilstaande, om oude bekenden te groeten en een praatje te maken.

Maar toen 't beleg begon, werd alles anders. De arme man, die aan één stuk door de wacht moest houden, liep verdrietig de eenzame paden langs, zonder zijn

Sluiten