Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drie „Meeuwen-verzen".

DE MEEUWEN.

Klein Hansje, zeg, zie je de meeuwen wel, O, zie je dat zwiepend en zwierend spel, Als ze dart'lend dalen en zwenken snel,

De roode pootjes gestrekt? O, hoor je dat wilde en schrille gekrijsch? Ze hebben honger, nu 't hard-donker ijs Het water overal dekt.

Klein Hansje, zie je die weem'lende vlucht Der sneeuwige meeuwen, blank in de lucht, Als ze deinend drijven, zonder gerucht, Op breed-uit gespreide vlerk? Klapwiekend stijgen ze toomeloos hoog, En vliegen in ruimen sierlijken boog IJl-fijn langs het grijze zwerk.

Sluiten