Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131

voor mij, tegen twee, tegen drie — hij geen deugniet is, maar een goede jongen!"

Moeder Ahda wou hem om den hals gevlogen zijn; zij vergat, dat hij zwart was en riep hem toe: „Toe, Jan, vertel dat aan mijnheer! Ik wist het wel, Michiel is geen slechterd."

Misschien had vooral de rustige houding van den knaap gedurende de boetpredikatie den heer Lampsens er toe gebracht om Michiel te vragen: „Wat is er dan gebeurd?"

„Mijnheer! mijn vrind Jan hebben ze verraderlijk aangetast en dat heb ik ze betaald gezét — ze zullen het niet weer doen."

De toon, waarop de jongen dit zeide, was zóó vast en bepaald, dat het den vrager verbaasde. Moeder Alida deed het goed.

„Zacht wat, knaap!" begon de heer Lampsens streng. „Je spreekt, of je een goede daad hebt verricht

„Voor mij gevochten tegen twee, tegen drie!" viel Jan Company in.

„Als je stil aan het wiel waart gebleven," hernam Lampsens, „was dit alles niet gebeurd. Denk je, dat ik je in dienst genomen heb, oni langs den weg te slenteren en je vrinden, de straatslijpers, te kloppen?"

„Mijnheer!" antwoordde Michiel, „ik kan het niet helpen, maar de baas zette mij in de lijnbaan vlak aan het raam. Weet u mijnheer! daar moest ik wel naar buiten zien en er woei een stevige bries, en daar zag ik het water — toen kon ik niet langer draaien . . . ."

„Beloof je beterschap?" vroeg Lampsens.

„Mijnheer! u moet me maar diep in de lijnbaan zetten, waar ik niets zie dan huizen," was het antwoord.

„Moeder!" zei Lampsens goedig tot Alida, „zend den

Sluiten