Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

158

De Prins klemde de tanden op elkaar.

„Ik kreeg de koorts er was geen voedsel genoeg

het volk werd gepijnigd .... als in de dagen van Parma."

Trigland richtte zich met veel moeite en pijn op.

„Ik heb onze kerken zien verbranden en de mis hooren zingen . . . ."

Hij hijgde naar adem en staarde in het bewogen gelaat van den jongen man, die naast het bed geknield lag.

„Het scheen, alsof de Heere Zijn aangezicht van ons had afgewend .... maar ik hoopte, dat Hij Uwe Hoogheid zou verheffen, om ons te verlossen."

De Prins kleurde en beefde.

„Dat gij mij hier zelf zoudt komen opzoeken, Hoogheid," fluisterde Trigland met onuitsprekelijke teederheid. „Nu zal ik geruster sterven."

„Gij moet niet sterven," zeide de Prins. „Ik heb u zóóveel te zeggen .... 't Is zóó lang geleden sinds gij mij onderwezen hebt in de Bijbelsche Geschiedenis" — er was een prop in zijn keel — „en in de geloofsleer."

„Zoo heel lang is het niet geleden," zeide de oude leeraar; „maar nu heeft Uwe Hoogheid een snor en een zwaard en is u een groot man geworden." Hij ghmlachte flauw. „Toch lijkt gij nog altijd op uw moeder .... ik dorst niet hopen, u terug te zien .... en dan nog wel op dezen avond. Ik heb het volk hooren juichen over de herstelling van het oude Huis."

De Prins antwoordde diep bewogen: „Wat beteekent al dat juichen nu! Men moest liever bidden dan juichen met den vijand in het land. O, mijn God, Gij, die mijn woorden hoort.... wij zijn zoo goed als verloren!"

Hij streek de lokken van zijn voorhoofd weg en zag op tot het bleeke gelaat van den leeraar.

Sluiten