Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159

Al 's Prinsen koelheid was verdwenen; hij gloeide van geestdrift en weemoed.

Floris was in 't donker blijven staan en beschouwde hem in stomme verbazing.

„Gij hebt mij geleerd, dat mijn voorvaderen helden waren — dat God hen had gesteld tot verdedigers van het geloof. ... ik wil doen als zij ... . ik wil het land redden, den Gereformeerden Godsdienst handhaven

Zijn gemoedsbeweging, jarenlang in toom gehouden, zocht zich te uiten, maar het scheen, alsof de Prins na zóó lang te hebben gezwegen, zijn woorden niet meer kon vinden. Sprekende tot een der weinigen, wien hij zijn liefde schonk, wilde hij nu zijn geheele hart en ziel uitstorten.

„Gij weet, hoe gij mij eens gezegd hebt, dat ik zoo iets zou kunnen doen. Niemand begrijpt mij; als ze 't wisten, zouden ze me uitlachen, maar gij voelt, wat ik wil. Johan de Witt heeft mij nimmer vertrouwd; hij dacht, dat ik het land aan Frankrijk verraden zou; dat was zijn laatste beleediging, iedereen scheen het te gelooven.

Gij wist hoe diep ongelukkig ik mij gevoelde. O, ik ware gaarne gestorven. Maar nu — drie provinciën zijn reeds verloren! Hebt gij de voorwaarden gehoord? Dat nooit! — Geen slavernij, geen Roomsche overheersching meer!"

Trigland keek hem met verhelderde oogen aan.

„Gij hebt geweigerd?"

„Ja," zei de Prins, nauwlijks hoorbaar; „de onderhandelingen zijn nog niet afgebroken, maar nu ik de macht in handen heb, zal ik zeker weigeren. Gij tenminste zult mij niet uitlachen."

Sluiten