Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

164

Trigland drukte een der losse krullen, die over 's Prinsen schouders hingen, tegen zijn lippen .... 'toen vouwde hij de handen stijf op zijn borst samen. Hij knikte met het hoofd, als iemand, die in slaap valt. Opeens opende hij de oogen wijd.

„Zegen mij," snikte de Prins.

„De Heere zegene u — de Heere verlate u nimmer."

Hij verzamelde al zijn krachten, ghmlachte en hief zijn rechterhand op: „Gijzelf zijt mijn Koning, o God! Gebied de verlossingen Jacobs. Door U zullen wij onze wederpartij ders met hoornen stooten; in Uwen naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan. Want ik vertrouw niet op mijn boog."

De stem van den stervende klonk steeds hartstochtelijker. „En mijn zwaard zal mij niet verlossen, maar Gij verlost ons van onze wederpartij ders en Gij maakt onze haters beschaamd."

Toen vervolgde hij zacht, maar triomfeerend: „In God roemen wij ... . den ganschen dag.... en Uwen naam .... zullen wij loven .... in eeuwigheid."

Zijn hand viel neder.

„Willem .... mijn zoon

Toen sloot hij de oogen .... zijn ademhaling had bijna opgehouden.

Buiten klonken de vreugdeklokken en de Stadhouder wierp zich hartstochtelijk snikkend over de eenvoudige legerstede heen.

„Heere, wees mij — genadig — mij — een zondaar — en alleen!"

Uit: „Ik zal handhaven", Bij: D. A. Daamen, "Maejorie Bowen.

's-Gravenkage. M. F. de Bas.

Sluiten