Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

KALIPA DE KAFFERJONGEN

aankomen, Nqwashoe geheeten. Kalipa moest met iemand praten over zijn vader en zoo vertelde hij alles aan Nqwashoe. Deze zei: „Gisteren heb ik gehoord, dat er een blanke man is in een dorp, twintig mijl van hier, en dat 't een groote dokter is. Hij is bij den zendeling en de man, die 't me verteld heeft, zei, dat de blanke dokter een vriend van hem beter heeft gemaakt, die heel ziek was. — „Maar", zei Kalipa, „al kon ik hem bijtijds bereiken, dan heb ik nog niets om hem te geven. Mijn vader heeft zijn eenigen os aan den medicijnman gegeven". Maar Nqwashoe zei, dat de blanke dokter niets had willen aannemen, toen men hem wat geven wou en dat hij Kalipa misschien ook wel voor niets zou helpen. Hierover peinsde Kalipa langen tijd. Eindelijk laat in den avond besloot hij te gaan.

't Begon al dag te worden, toen hij een ossenwagen zag staan; verlaten. Blijkbaar was de eigenaar naar een hut gegaan, aan de overzij van een moerassig stuk land. In den wagen zag Kalipa een wandelstok liggen met een zilveren knop. Kalipa had er den heelen weg over loopen denken of de blanke dokter heusch mee zou gaan als hem niets werd aangeboden. Hij kon 't zich niet voorstellen! Nu had hij iets om hem aan te bieden! Hij keek rond of er niemand te zien was en... nam den stok weg. Hij verborg dien tusschen de deken, welke hij om had, en spoedde zich verder. Vroeg in den morgen kwam hij aan 't dorp en op zijn vragen hoorde hij, dat de blanke dokter uit was en dat de zendeling met wien hij woonde, bezig was te bidden samen met Christen-Kaffers, daar in een gebedshut. Kalipa wachtte eerst een poosje, maar ging toen eens naar de deur van die hut en keek naar binnen.

Sluiten