Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

weg. Als hij zelf maar gered was, dan kon hem de rest niets schelen.

Daar komt een ridder aangereden. „Gelukkig, nu ben ik gered", dacht Bernard. Maar hij vergiste zich. 't Was geen vriend, 't Was een vijand. Met het plat van zijn zwaard slaat die ridder Bernard zijn dolk uit de hand. Nu grijpen de roovers den jongen aan en boeien hem.

„Zoo'n kleine vechtersbaas", zei de ridder.

„Ik heb van hem nog een leelijken prik in mijn arm gekregen", zei de eene roover. „Ik heb er mijn zakdoek maar zoolang omgebonden."

„En mij heeft hij omvergereden", zei de tweede. „Mijn been is erg gekneusd. Ik kan haast niet meer gaan."

„Hij zal nu wel wat bedaren", grijnsde de roofridder.

Isachar was intusschen aan den haal gegaan. Maar het hielp hem niets. De derde roover kon harder loopen dan hij. Weldra had hij hem ingehaald. Hij bracht hem bij den roofridder.

„Wat heb je daar?" vroeg hij.

,,'t Is de knecht van dien kerel, die ons ontsnapt is", zei de roover.

„Dien krijgen we nog wel te pakken", antwoordde de ridder. We moeten hem hebben. Die heeft zeker een vette portemonnaie. Maar

Sluiten