Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

Bernard over. Met den man, de manke, kon ze beter opschieten. Die was heel vriendelijk. Den volgenden dag kwam hij in de keuken kijken.

„Zoo, Roza, ben je aan 't piepers jassen. Laat eens hooren, of je knap bent. Waar zit het beste van den aardappel?" Dat wist Roza niet.

„Wel, onder de schil," en hij lachte met z'n breeden mond, die haast van 't eene oor naar 't andere reikte. Eens was hij weer in de keuken. Toen hij gaan wou, vroeg Roza: „Waar ga je nu naar toe?"

„Wel wat blikslagers, nieuwsgierige meid. Maar je moogt 't gerust weten. Ik ga de gevangenen brood en water brengen. Dat is hun ontbijt, hun middag- en avondmaal tegelijk."

„Hebt u er veel?" vroeg Roza.

„Een dozijntje."

„Zeker allemaal groote, leelijke kerels."

„Allemaal niet. Ik heb er eentje bij, die pas een jaar of veertien is. Maar ik ga, hoor, drommelsche meid. Je bent toch zoo duivekaters nieuwsgierig." Weg was hij.

Nu wist Roza zoo goed als zeker, dat Bernard hier ook was. Hoe graag zou ze hem eens gezien hebben. Een paar weken naderhand viel de manke van een leer. Hij bezeerde zich erg. Hij kon zijn rechterhand niet meer gebruiken.

Sluiten